KIM
HEIJDENRIJK

Blog


Turkije: Bedankt voor de bloemen!

Hét symbool van Nederland is de bloem die nu in vele huishoudens de salontafel siert. De Tulp. Dat wij de tulp aan Turkije te danken hebben, is bij velen bekend. Maar hoe komt het dat een bloem uit Azië het symbool is geworden van een klein landje in Europa?

Het begint allemaal bij de Oostenrijkse Ambassadeur voor Turkije. Rond 1555 schreef hij, Ogier Gisleen van Busbeke (ca. 1522-1592), in zijn dagboek over die prachtige bloemen die hij in het Turkse Edirne had gezien. Hij beschreef een witte bloem, die hij vier jaar eerder ook al mocht aanschouwen in de tuinen van Sultan Süleyman I van Turkije. De bloemen waren vanuit Mongolië overgewaaid naar het land en werden 'Lâle' genoemd. De bloem was slank en deed aan een lelie denken.

Aangezien velen er de tulband in herkenden in de vorm die toen veel gedragen werd, veranderde de naam al snel in 'Tulipan'. De Turkse Sultans koesterden de bloem om hun uitzonderlijke schoonheid en zeldzaamheid. Ze sierden de paleistuinen, waar Gisleen van Busbeke ze gezien moet hebben, in overvloed. De Oostenrijkse ambassadeur schreef vol lof over die bijzondere bloem uit het geslacht van eenzaadlobbigen uit de leliefamilie, de Tulipa, nadat hij ze volgens zijn memoires zag tijdens één van de feesten ter ere van haar bloei.

Het verhaal gaat dat Sultan Süleyman de Ambassadeur persoonlijk een paar van zijn kostbare tulpenbollen cadeau deed. Volgens de overlevering was de Ambassadeur bevriend met de Vlaamse geleerde, arts en botanicus Carolus Clusius (1526-1609), die de kruidentuin van de keizer van Oostenrijk onder zijn hoede had. Clusius had een bovenmatige belangstelling voor de bloem en kreeg zodoende wat bollen van zijn vriend cadeau. In 1562 kwam de tulp via deze man dan ook in Antwerpen terecht.

Hortus

Clusius schreef in 1592 een standaardwerk over zijn geliefde bloem. Hij was ook de eerste die de bollen op Nederlandse bodem plantte; in de Hortus Botanicus in Leiden. Clusius was namelijk vanaf 1593 professor aan de universiteit van die stad en hoofd van de botanische tuin. Clusius zette de tulpen uiteraard ook in zijn eigen tuin, waaruit ze door de grote populariteit regelmatig gestolen werden.

Vooral de tulpen met gevlamde of gestreepte bloembladeren waren zeer geliefd. Welgestelde edelen konden de tulpen bij kwekers kopen, zodat zij ermee konden pronken op hun buitenverblijven. Ook andere bollen, zoals onder meer de narcis en de krokus, waren destijds overigens zeer geliefd en zeer kostbaar. Zij kwamen echter nimmer zo in de mode als de kleurrijke, exotische tulp.

Er waren destijds slechts drie variëteiten tulpen. Zo waren er de 'Ducken', die rood waren met een gele rand of wit met rode vlammen. Ook kon er bij de kweker gekozen worden voor de 'Bizarren', die geel waren met rode vlammen. Tot slot was er de tulp die 'Violetten' genoemd werd; wit met paarse vlammen. Hoe gekker de kleuren, hoe liever men het had. De liefhebbers van de bloemen wisten echter niet dat de vreemdsoortige vlammen veroorzaakt werden door een virus die het ras ernstig in gevaar kon brengen.

Betaalmiddel

De Nederlandse liefde voor de tulp kende geen grenzen. In de zeventiende eeuw groeide de populariteit tot ongekend grote hoogten. Vele stillevens werden door beroemde meesters geschilderd, met de bloem als stralend middelpunt. De tulp was in de Gouden Eeuw dermate populair, dat ze een economie op zich werd. De bloembollen werden een betaalmiddel en de prijs van een bol steeg tot megalomane proporties.Voor een enkele bol werd zonder van kleur te verschieten ruim 1800 euro betaald. Bollen van heel zeldzame tulpenrassen werden soms voor bijna zesduizend euro per stuk verhandeld. Een tulpenbol werd zijn gewicht in goud waard! Voor de prijs van één bol kon een pand aan de Amsterdamse grachtengordel worden gekocht.

In de jaren tussen medio 1634 tot februari 1637 was de tulpengekte op haar hoogst. Deze periode wordt dan ook de 'Tulpenmanie', 'Tulpenwoede', 'Tulpenrage', 'Tulpengekte' of de 'Tulpenwindhandel' genoemd. Dit laatste, omdat er uiteindelijk zelfs werd gespeculeerd met de bollen. Kostbare bollen werden op papier verhandeld, zonder dat de daadwerkelijke tulpenbol werd gezien. Dit kon dan ook niet goed gaan; vele speculanten gingen bij het barsten van de tulpenzeepbel ten onder. Hoewel de gekte na een paar jaar eindigde doordat de handel aan banden werd gelegd, bleven de bollen voor gewone mensen onbetaalbaar. Naar mate de prijs door de jaren daalde, werd de bloem in steeds meer Nederlandse tuinen gemeengoed.

De tulpen die uit de 16e en 17e eeuw vele hoofden in ons land op hol brachten bestaat niet meer. Wel zijn er nog altijd tulpen verkrijgbaar die lijken op die van weleer, de zogenaamde leliebloemige tulpen. In 1960 werd tijdens de eerste Floriade in Rotterdam nog een eerbetoon aan diplomaat Van Busbeke gebracht en aan de tulp. Een 19e eeuwse door paarden bespannen postkoets vol tulpenbollen reed vanaf Istanboel naar het terrein van Floriade, een tocht van ruim vijf weken. Na ruim vierhonderd jaar is de kleurrijke Turkse bloem nog altijd hét symbool van Nederland.