KIM
HEIJDENRIJK

Blog


Groenestein, de geschrapte woorden, deel 1

Bij de redactie van 'Op zoek naar George' zijn bijna 7000 woorden over Huize Groenstein gesneuveld. In de meeste gevallen was dit, omdat de hoeveelheid informatie over het huis ervoor zorgde dat George teveel op de achtergrond raakte. De feiten blijven echter onverminderd interessant.

Ik heb dan ook een drieluik gemaakt van de geschrapte passages. Vandaag kunt u deel 1 lezen dat aan aanvulling geeft op de feiten in het boek over de leefomstandigheden binnen het huis. Morgen volgt deel twee dat vooral gaat over de bestuurlijke wanorde van huize Groenestein. Woensdag plaats ik het laatste deel met als veelzeggende titel 'De doofpot'.


De leefomstandigheden

George is op 5 april 1915 jarig geweest; hij is 12 geworden. Moeder heeft belooft vandaag op bezoek te komen. Hij heeft nog geen bezoek gehad, dat mocht niet. Volgens de broeders moest George eerst maar eens zijn draai vinden in het huis, zo waren de regels. Maar de regels veranderden nogal eens. Niet lang daarvoor mochten de kinderen op gezette tijden uit gaan voor familiebezoek, maar niemand is de laatste maanden het huis uit geweest.

Het bestuur van regenten heeft namelijk besloten dat de 'verpleegden', zoals zij ze noemen, nog maar drie keer per jaar naar huis mogen. De kinderen komen uit de armste wijken in en rond het centrum van Den Haag en het is volgens de regenten beter ze niet teveel in aanraking te brengen met deze slechte milieus. Dit is dan ook het antwoord dat het Fonds van Liefdadigheid, dat het bestuur van Groenstein vormt geeft op brief van de minister waarin hij vraagt "hoe zij willen voorkomen dat de kinderen aan den verderflijken invloed den ouders worden blootgesteld".

Verwaarloosde arme schapen zijn het. Kinderen van dronkaards, hoeren en ander volk van bedenkelijk allooi met geen enkel zedelijk besef. De moeder van George valt hier ook zeker onder: een ongetrouwde vrouw met meerdere kinderen van vast ook allemaal verschillende vaders. De kinderen uit de Haagse achterbuurten, de hofjes en slopjes, zoeken niet zelden hun heil in de criminaliteit.

De verzorging door de broeders en zusters in Huize Groenestein moet hun redding zijn. Ook niet-Katholieke kinderen kunnen in Groenestein terecht, maar niet zomaar. Zo vertelt een van de regenten van het Fonds van Liefdadigheid tijdens de wekelijks vergadering "over een verlaten man die P.G. is en drie kinderen heeft, die niet gedoopt zijn en die om opname dier kinderen gevraagd heeft. De man wilde de kinderen Roomsch laten doopen, wat te doen? Die kinderen opnemen als zij gedoopt zijn? Moet wij het aanmoedigen die kinderen te laten doopen en dan helpen? De man moet volgens informatiën zeer oppassend zijn."

Zieltjes winnen

De voorzitter van het clubje regenten is voor opnemen als de vader aan de voorschriften voldoet: "wij winnen daardoor zieltjes en als wij zielen winnen krijgen wij zegen van O.L.H. ervoor". De rector van Groenestein heeft de kinderen gedoopt en drie zieltjes werden gewonnen.

Ondanks de slechte verzorging thuis voelen veel kinderen zich genoodzaakt weg te lopen uit het gesticht dat hun redding moet zijn. Sommige kinderen staan onder voogdij van het Fonds van Liefdadigheid en moeten dan ook tot hun 21e in Groenestein blijven, deze kinderen moeten dan ook koste wat het kost worden teruggebracht. Al is het met hulp van de politie.

Als het kinderen zijn van de Armenzorg of de Vincenciusvereniging dan moeten deze instanties zorgen dat de kinderen weer terugkomen. Er zijn echter ook ouders die zelf betalen voor de verzorging van hun kinderen, zoals vaders waarvan de moeder is overleden. Of vaders die hertrouwd zijn en zonder zijn 'oude' kinderen en nieuwe start willen maken. Hiervoor moet aan het Fonds van Liefdadigheid ongeveer 200 gulden per jaar per kind worden betaald.

Vanwege de Eerste Wereldoorlog ziet het Fonds zich echter genoodzaakt de 'verpleegkosten' verschillende malen te verhogen, aangezien het leven steeds duurder wordt. Het baart sommige bestuursleden zorgen. "De heer Pot noemt dit een Gesticht van Liefdadigheid en als wij de zaak zo opdrijven, wordt het een pensionaat. De voorzitter vindt de verhogingen ook veel, doch als het noodzakelijk is, dan moet het gebeuren".

Behoeden voor de ondergang

Het gebeurt niet zelden dat de kinderen zonder pardon naar huis worden gestuurd, omdat de betaling uitblijft. Soms wordt de zaak nog even aangekeken als de regenten menen dat dit in het belang is van het kind. "Voor de kinderen Bronstein wordt niets meer betaald", deelt de voorzitter aan de regenten mede. "We zullen ze voorloopig houden om ze voor ondergang te behoeden. Ze hebben reeds een zekere leeftijd", vervolgt hij met de toevoeging de zaak aan Moeder Overste voor te leggen.

Als meneer Huisman in 1916 niet betaalt voor zijn kinderen loopt de zaak echter hoog op. Het fonds daagt de man voor de rechter. Uiteindelijk wordt beslag gelegd op zijn uitkering van de Sociale Verzekeringsbank. De heer Andriessen krijgt zijn zoon ook terug. De man stuurt een wanhopige brief naar de Rector met het verzoek zijn zoontje te laten blijven. Andriessen bewoont een kamer en werkt de hele dag. Het bestuur bespreekt de kwestie: "De man bewoont een kamer maar zijn twee tante's kunnen hem (het zoontje) best op den dag te eten en drinken geven, en 's nacht kan hij bij zijnen vader gaan slapen". Het bestuur stuurt de man een brief dat de jongen binnen drie weken thuis wordt afgeleverd.

Het gebrek aan afwisselend voedsel begint aan het einde van de Eerste Wereldoorlog haar tol te eisen. De gestichtsarts, de heer Van Dommelen, is bezorgd en hij schrijft een brief aan de regenten. "Van Dommelen schrijft dat de kinderen, maar vooral bij de jongens, ondervoeding wordt waargenomen", deelt de voorzitter aan zijn medebestuurders mee.

De heren besluiten een brief aan de minister van Justitie de sturen met het verzoek 'om ruimer distributie voor de kinderen'. De jongens worden steeds zwakker en daardoor vatbaarder voor ziekten in het koude, tochtige huis. Als het echt te erg wordt, dan worden ze naar het Gemeenteziekenhuis aan de Zuidwal gebracht. Sommigen komen niet meer terug.

Het overwicht van de overste

Ondanks dat George nog maar een paar weken op Groenestein woont, verbaast het hem niet dat twee jongens van zijn afdeling de benen nemen. Het is het gesprek van de dag. Ze worden door de anderen bewonderd om hun moed. Helaas zijn ze snel weer terug, wat ze op een goed pak slaag komt te staan. George weet niet welke broeder dat deed. Waarschijnlijk die nieuwe. De broeder zorgt voor dermate veel onrust dat Broeder-Overste de kwestie uiteindelijk toch maar met de regenten bespreekt. De Overste weet zich geen raad, wat het bestuur niet verbaast want ze twijfelen al geruime tijd aan zijn leiderschapskwaliteiten. Het is de regenten duidelijk dat de Overste totaal geen overwicht heeft over de broeders.

Tijdens de vergadering van 29 september 1915 besluiten de regenten aan te dringen op het vertrek van de onruststokende broeder. 'Vanwege zijn zenuwen deugt hij niet voor de opvoeding van kinderen', meent het bestuur. Nadat de zenuwpees weg is, wordt het er niet veel beter op. Het weglopen van de jongens heeft het bestuur een nieuw soort straf doen invoeren. De vrees onder de jongens is hierdoor nog groter geworden; ze wisten niet eens dat dit nog kon.

De uitvoering van het plan heeft wat voeten in de aarde, want pastoor Vermeulen heeft 'morele bezwaren'. Het bestuur laat zich niet uit het veld slaan, de kapelaan vond het immers goed. Rector Verheijen te Ginneken wordt per brief geraadpleegd. Als de eerwaarde Rector zijn antwoord retour zendt, wordt het besproken in de vergadering van de regenten. "Hij is er niet op tegen maar zijn oordeel is ook dat men die staf zeer zeldzaam moet toepassen", vertelt de voorzitter. Niets staat het plan meer in de weg: het cachot wordt gemaakt.

De kinderwetten die tien jaar eerder van kracht werden, zijn hierbij een steun in de rug van de regenten. In artikel 10 van de Beginselenwet staat het cachot als geoorloofde straf, net als het vervangen van het gewone voedsel door water en brood en 'gewone sluiting in de boeien'. Het wetsartikel, dat eigenlijk bedoeld is voor de Tuchtscholen en Rijksopvoedingsgestichten, vermeldt dat er wel onderscheid naar leeftijd en naar de aard van het vergrijp moet worden gemaakt. Broeder-Overste maakt echter niet veel onderscheid.

De kleine gevangenis, helemaal boven, is eigenlijk voortdurend bewoond. De jongens zijn er doodsbang voor. Dreigen met het cachot is vaak al genoeg om onbehoorlijk gedrag, zoals kletsen, in de kiem te smoren. Als je iets heel ergs uithaalt, zoals weglopen, dan zit je er al gauw een week.

Bijna dagelijks kwamen de afgelopen maanden nieuwe jongens binnen in Groenestein. Uit het hele land, soms zelfs uit België. George herkent ze meteen; ze spreken net zo raar als de broeders. In de afdeling van George komen geen nieuwe jongens, want kinderen boven de tien jaar worden niet meer opgenomen. Eerst was de grens niet zo hard, maar door de oorlog zijn de kosten van het huis enorm omhoog gegaan.

Toeslag op het loon

Op gezette tijden vragen de onderwijzers van de scholen, de portier en de schoenmaker om verhoging van hun loon. "Zulks kan niet worden toegestaan", luidt vaak het antwoord van de regenten. Nadat het personeel uiteindelijk een gulden loonsverhoging per maand heeft losgepeuterd, meldt zij zich niet veel later wederom bij de regenten met het verzoek om 'tijdelijke toeslag op het loon'. Duurtetoeslag.

De heren bekijken de zaak in hun wekelijkse vergadering. "Na eenige besprekingen wordt besloten aan ieder een brood per dag te zullen verstekken." Het personeel had liever geld gehad, maar een brood is ook niet mis aangezien er een ernstig tekort is aan graan en tarwe. Brood is een luxeproduct is geworden. Wittebrood is zelfs helemaal niet meer te koop. Het is verboden aangezien er veel meer tarwe voor nodig is dan voor bruin brood.

Later besluit het bestuur na veel gesteggel het personeel en de leerkrachten van de scholen toch 2,50 gulden per week loonsverhoging te geven. Het is echter niet genoeg, ze verdienen nog altijd veel minder dan mensen buiten het gesticht. De ene na de andere leraar gaat weg, omdat ze elders meer kunnen verdienen. Soms wel 80 gulden per maand.

Ondertussen moeten de kinderen ook verzorgd. Eten, kleding; het is bijna niet meer te betalen. Vooral de oudere jongens zijn duur in onderhoud, al wordt dit in de meeste gevallen wel betaald door liefdadigheidsverenigingen, kerkelijke instellingen en in sommige gevallen door de regering. De regering wil echter ondanks verschillende verzoeken van de regenten de subsidie niet verhogen. De regenten hebben daarom een opnamestop voor oudere kinderen afgekondigd, wat ook goed uitkwam want daar is geen eer meer aan te behalen.

Kinderen die iets mankeren worden door de commissie die verantwoordelijk is voor altijd opname afgewezen. Achterlijke kinderen moeten hun heil maar elders zoeken, net als de krankzinnige kinderen met epilepsie. Kinderen met lichamelijke gebreken zijn ook niet welkom; die kosten teveel en er komt gezeur van.

De aanschaf van nieuwe kleding kan niet langer meer worden uitgesteld. Het armlastige Fonds besluit de Minister een brief te schrijven om geld voor kleding te vragen. De voorzitter doet dit zonder overleg en deelt de minister mee dat 'de kosten voor kleding voor een jongen doorgerekend 25 gulden per jaar zijn'. Als de bestuursleden hiervan horen ontstaat een discussie. "Na eenige besprekingen wordt besloten dit bedrag op te geven als 45 gulden per jaar".

De kosten van het gesticht zijn hoog en de muur die nu om de tuin wordt gemetseld om het ontsnappen van de kinderen te voorkomen heeft ook een behoorlijk prijskaartje. Om de financiën op te krikken verkoopt het Fonds van Liefdadigheid verschillende huizen die zij in de stad in eigendom hebben. Ook wordt elk half jaar een collecte gehouden en ook grotere giften en legaten worden regelmatig toebedeeld. In de meeste gevallen worden deze gelden direct belegd in obligaties.

Het cadeau voor de overste

Het zeer uiterst zuinige bestuur van het Fonds van Liefdadigheid doet haar naam geen eer aan als Moeder-Overste haar twaalfeneenhalfjarig jubileum viert. Door de regenten wordt lang gesteggeld over het cadeau dat gekocht moet worden en hoe duur dat mag zijn. Een van de regenten heeft de overste gevraagd wat zij graag zou willen hebben. Ze gaf te kennen geen geld te willen, maar iets voor de kapel. Een loper voor op het koor, bijvoorbeeld. De regent merkte direct op dat dit te duur zou zijn. De overste antwoordde dat een loper voor het altaar dan ook wel goed zou zijn.

Het bestuur wil niet meer dan 100 gulden aan de overste besteden. Bij de tapijthandel blijkt een kleed dat geschikt is voor het altaar op ongeveer 150 gulden te komen. Een van de regenten merkt op dat er voor de kapel bijna geen onkosten zijn en dat de Moeder alles voor de kapel doet. "We moeten dan ook niet op 50 gulden kijken, vooral omdat het cadeau toch aan het Gesticht blijft", besluit hij. Dat is een overtuigend argument en besloten wordt het cadeau op 150 gulden te begroten.

Als de overste niet veel later 500 gulden aan het Fonds voor Liefdadigheid geeft ter gelegenheid van haar 12,5 jarig feest, verandert de zaak. Er wordt nu niet één loper voor het altaar gekocht, maar twee. "En ook nog een matje", want het is immers voor de goede Overste.

Ondanks de goedgeefsheid van de regenten ontkomt Moeder-Overste niet aan de bezuinigingen. Ze mag uit kostenoogpunt geen sigaren meer uitdelen. Een ironisch besluit, aangezien de regenten de Moeder een sigaar uit eigen doos geven voor haar jubileum. Ook de broeders moeten de broekriem aanhalen. Tot ongenoegen van Broeder-Overste besluit het bestuur dat de broeders voortaan alleen nog maar op zondag fruit mogen en dat de bierconsumptie moet worden beperkt tot een halve fles per persoon op zondag.

De overste laat zien dat hij wel degelijk ruggengraat heeft, want hij pikt het niet. "Over dit schrijven had de Eerwaarde Overste zich beklaagd dat dit best mondeling had gekund", vertelt de voorzitter de andere regenten. Aangezien hij de overste toch sprak, heeft hij direct wat andere zorgen geuit. "In dit onderhoud der Eerwaarde Overste heeft de voorzitter gezegd dat hij zijne Eerwaarde als persoon hoog achtte doch dat diens verhouding en gezag over zijne medebroeders heel gering waren en hij hun te veel vrijheid toestond." Daar had de overste niet van terug. Anderzijds doet de geestelijk ook niets met de kritiek. Sterker nog: de regenten krijgen in de gaten dat er iets helemaal niet in orde is in het huis.

Tijdens de vergadering van 27 maart 1918, deelt de voorzitter de andere regenten mede dat "een der Broeders de jongens mishandelt, hen door zijne handelingen verbittert, de jongens als verklikkers opleidt en in het algemeen de kinderen door vrees worden beïnvloed". De voorzitter wil dat "het hooger gezag der Broeders" maatregelen neemt daaraan een einde te maken. Er gebeurt echter niets. Er volgt geen straf voor de broeder.

* * * 

Voor de feiten hierboven heb ik mij voor een groot deel gebaseerd op de notulen van de vergaderingen van het Fonds van Liefdadigheid. Deze notulen uit de periode dat George in Groenstein zat heb ik door het Haagse Gemeentearchief laten digitaliseren en ze zijn via deze link te vinden:
0785-01 – Fonds van Liefdadigheid voor Rooms-Katholieken, inventarisnummers 2.1.6 tot en met 2.1.10.

Nieuwsgierig geworden naar het boek? U kunt 'Op zoek naar George' hier bestellen.