KIM
HEIJDENRIJK

Blog


Groenestein, de geschrapte woorden, deel 2

Het bestuur

Het gebrek aan leiding van de overste en de terreur van de broeders zorgt ervoor dat de jongens zich buiten het gesticht uitleven. Vooral het gedrag van de oudere jongens loopt zo nu en dan de spuigaten uit. George heeft voor zijn komst al goed 'ja en amen' leren zeggen en probeert de broeders dan ook zo min mogelijk voor de voeten te lopen. Hij telt de dagen, als hij straks weg is dan wordt het beter. En dat zal niet lang meer duren.

"Verschillende besprekingen worden gehouden omtrent de ambachtsjongens en over hun gedrag op straat. Eene poging zal worden gedaan bij broeder overste de jongens te doen vergezellen. Ook het verschaffen van bezigheid aan de grootere jongens op het gesticht zelf zal overwogen worden”, is te lezen in de notulen van het Fonds van Liefdadigheid. Er wordt door de regenten een commissie ingesteld om met broeder overste 'de zaak te behandelen'. De jongens zullen voortaan op straat worden gecontroleerd.

Ondanks dat een knecht ze naar school brengt en weer ophaalt, blijven de jongens die de ambachtsschool bezoeken voor problemen zorgen. "Zij geven veel aanstoot omtrent de gedragingen op straat", wordt de regenten verteld. Als de jongens op een dag aan de aandacht van de knecht ontsnappen en in plaats van naar school te gaan de benen nemen, is de maat vol. De voorzitter deelt mee dat hij 'de bandelooze club' niet meer zal toestaan naar school te gaan en dat hij ze elders zal laten plaatsen. "In het algemeen zal de ambachtsschool voorlopig worden uitgeschakeld, niet om de school, doch om de bandeloosheid der jongens op straat".

Die zomer van 1918 wordt in het huis een diefstal gepleegd, het is in de historie van het gesticht nog niet eerder voorgekomen dat ze bestolen wordt door een verpleegde. "Bestaande uit 300 klossen garen, schoenen, handdoeken, kousen enz. Hetwelk door verpleegden Koolmoes (die het gesticht heimelijk heeft verlaten) met medewerking van Van Driel, gedaan is, en daar de her/opkooper bekend is, ook bij de politie, stelde de president voor, om van de opkooper al het opgekochte terug te verlangen, en hem zoo te sparen voor zijn groot gezin en hem zoodoende uit de gevangenis te houden."

Met het oog op brand

In het huis worden ook maatregelen genomen, om herhaling te voorkomen. De spullen die bij de jongens liggen worden naar de Zusters gebracht. Alle deuren moeten dicht, afgezien van de deur in de gang. Er moet verscherpte controle op de jongens komen. Het liefst hebben de regenten dat de deuren van de slaapzalen ook dichtgedaan, zodat de jongens 's nachts niet meer kunnen ontsnappen. Broeder overste weigert dit te doen 'met het oog op brand'.

De regenten stellen de regel in dat indien iets wordt vermist, 'al de jongens te laten onderzoeken en zij niet eerder de zaal mogen verlaten voordat het verlorene terecht is gekomen'. Acht regenten trekken het huis in om de verschillende afdelingen te onderzoeken, 'doch niets bezwaarlijks hebben gevonden, maar dat den volgenden dag, twee sleutels in de zakken van eerlijke jongens zijn gevonden, die natuurlijk daarin gedaan waren door oneerlijke jongens'.

De gevluchte dief Koolmoes is uiteindelijk na acht dagen zwerven naar Groenestein teruggekeerd. "Hij heeft bekend gestolen te hebben en is daarna opgesloten in het cachot". Ook zijn medepleger Van Driel heeft bekend. "Verder zijn nog gesignaleerd Hetting, van der Lem en Dat". Met het hoofd van de school, de heer Baddoux, is gesproken over 'huisvlijt om de ledigheid bij de jongens, vooral des 's avonds te benutten', waar het hoofd direct aan heeft voldaan.

Baddoux raadt het bestuur ook aan 'de zaak niet te zwaar aan te pakken'. "Met het oog op de overvolle gevangenissen en veeltallige veroordeelden", verdedigt hij. Het bestuur gaat akkoord en poneert een nieuw idee: een tweede biechtvader voor de jongens. De voorzitter zal de Rector dit voorstel doen, 'alsook de grootte misslagen van de jongens bekendmaken'.

De voorzitter van het Fonds zal dan gelijk van de gelegenheid gebruik maken de Rector stevig toe te spreken, want niet alleen de Broeder-Overste en zijn broeders zijn het zieke klimaat - dat vooral bij de jongens heerst – te verwijten. Er zit nog iemand boven: Rector Möller. De man zit er al vanaf 1913, maar hij is niet vaak aanwezig in het pand aan de Loosduinseweg waar hij de baas over zou zijn.

Geen effect

De voorzitter zal de Rector vertellen dat deze het volgens hem 'het veel te druk heeft met vergaderingen waarvan zijn eerwaarde adviseur is, na te loopen en zich daarom te weinig met de kinderen van dit Gesticht kan bezighouden'. Pastoor Bulders is toevallig bij de vergadering en die vertrouwt de regenten toe dat het beter zou ijn als hij dit gesprek met de rector zou voeren. Dit gesprek heeft geen effect. Het probleem met de Overste is ook maanden erna nog altijd niet opgelost.

De regenten besluiten in januari 1919 met de Algemene Broeder-Overste te spreken, die dan toevallig in het gesticht is. De voorzitter zal 'uit naam der regenten over een degelijker Overste spreken die meer ontzag kan uitoefenen over de Broeders, daar de tegenwoordige Overste te zacht is'. Na lang wachten en enig aandringen komt een Visitator om de toestand met de Overste eens te komen bekijken en bespreken.

De Visitator was 'een ernstig man', volgens de voorzitter van de regenten. De Visitator had de regent gevraagd waarom de Overste volgens hem 'geremplaceerd' moest worden, aangezien dat zeer moeilijk zou zijn. Bovendien zou er dan een overste komen die de taal niet machtig zou zijn. "De visitator werd gezegd dat deze Overste wel een braaf man was, doch nergens naar omkijkt en erg liegt", vertelt de regent aan zijn collega's.

De voorzitter wordt gevraagd het aan de Visitator te melden als er ondanks interne pogingen tot geen verandering in het gedrag van de Overste komt. En die komt er niet. De situatie wordt alleen maar erger. De pastoor wordt wederom verzocht 'de rector erop te wijzen zich meer met de jongens bezig te houden'. Een van de bestuursleden zegt: "Het is zeer noodig dat de pastoor daar met den Rector over spreekt. Zijn eerwaarde kijkt nooit naar de jongens om en kan (sic) ze niet eens!"

Of de pastoor het gesprek niet heeft aangeknoopt, of dat de rector lak heeft aan de kritiek is onbekend. Wel dat er – wederom – niets verandert. De jongens woonachtig buiten het gesticht, die voor een baas werken, nemen het inmiddels ook niet zo nauw met het gebod 'Gij zult niet stelen'.

Door honger gedreven

"Van Mourik is met geld van zijn baas op de loop gegaan en is tot op heden nog niet in Boxtel teruggekeerd", vertelt de voorzitter tegen de andere regenten. Zij waarschuwen de politie in Boxtel en in Den Haag. Na een week of drie komt de jongen 'door honger gedreven' naar Groenestein. Een paar weken later, op 24 juli 1918 worden de jongens Dat en Santifort van de Ambachtsschool gestuurd, omdat ook zij gestolen hebben. De vader van Santifort wordt een brief gestuurd dat zijn zoon per 1 augustus uit Groenestein moet vertrekken.

Waren het eerst nog een paar verpleegden, nu slaat ook het personeel het achtste gebod in de wind. "Zondagnacht 11 augustus 1918 wordt een diefstal gepleegd door den portier. Genoemde was volgens verklaring van zijne vrouw dronken thuisgekomen en zeide nog even de school in te moeten, doch circa 1 uur is hij door de jongens op het dak gezien zoodat de politie gewaarschuwd werd, die hem op heterdaad betrapte, dat hij lood afgesneden had en hem mede nam naar het bureau Archimedesstraat, daar ondervraagd, zeide hij dat het de eerste keer was en geen medeplichtigen had. 's Maandags weder vrijgelaten, sprak de president met hem en de portier vroeg hem niet te vervolgen. De president stelde voor hem niet te vervolgen, daar de naam van het Gesticht er mede gemoeid was, diezelfde gedachten waren ook van Monseigneur Wijtenburg, Pastoor Vermeulen en Rector Möller", verhaalt de hoofdregent.

De politie raadt ook aan niet te vervolgen en na stemming besluit het bestuur aldus. De voorzitter spreekt met de portier die hem bovendien verzoekt hem niet te ontslaan. De voorzitter belooft het het met de andere regenten te bespreken. "Den heer Pot zeide dat het tot voorbeeld voor anderen moet strekken en den heer Sinkel dat ons goede hart niet tegenover het Gesticht moet spreken". De portier wordt na stemming met vrijwel algemene stemmen ontslagen en wordt daarmee een van de ruim 80.000 werklozen die Den Haag inmiddels telt.

Er wordt de portier een brief gestuurd dat hij binnen twee weken met zijn gezin het huis en Groenestein dient te verlaten. De portier kan echter geen huis vinden, aangezien ook daar een gebrek aan is. De man wil niet vertrekken met zijn vrouw en kinderen. Een probleem, want de nieuwe portier zal snel komen. Het bestuur besluit een paar dagen later alle meubels uit het huis te halen en in het Gesticht op te bergen. De portier moet met zijn gezin maar in het volkskosthuis gaan wonen.

Het bestuur is de situatie in en om het huis meer dan beu en neemt drastische maatregelen. "De voorzitter zou gaarne den Hoog Eerwaarde Deken willen uitleggen niet tevreden te zijn over den Zeer Eerwaarde Rector, die wegens de groote drukte met adviseurschap niet geschikt is voor Rector van dit Gesticht. De voorzitter gevoeld zich verplicht, als regent daar verandering in te krijgen". Twee bestuursleden menen dat dit nog niet ver genoeg gaat. "Is het niet beter daar met den Bisschoppelijken Commissaris den Zeer Eerwaarde heer Vermeulen over te spreken?", vragen zij zich af.

Schoon schip maken

Er wordt besloten het toch eerst met de Deken op te nemen. Het bestuur wil in één keer schoon schip maken en ze besluit te zien of zowel twee broeders met losse handjes als de Broeder-Overste vervangen kan worden, bij voorkeur door een 'Flinken Overste'. Het blijft echter heel stil van de zijde van de Broeders der Christelijke Scholen.

Het hoofd van de school, de heer Baddoux, begint het ook beu te worden. Eerder had hij zich al bij het bestuur beklaagd zich over de ruiten die regelmatig worden stukgegooid. De Overste had gezegd dat de jongens van de school dit zouden doen. De regenten menen dat de broeders beter moeten opletten. "En vindt ook zulke jonge broeders niet goed voor de opvoeding der kinderen".

De regenten menen dat er niet genoeg toezicht is, want 'aan de goede orde komt veel tekort'. Om daar toch maar even aan toe te voegen: "Maar bewondert toch de eerwaarde broeders voor de opoffering, maar kan zich niet begrijpen dat als de jongens het Gesticht verlaten, het zulke bandieten zijn'. Baddoux geeft de regenten later te kennen nog altijd niet tevreden te zijn over de jongensafdeling. De voorzitter zegt "dat de eerwaarde Overste daarover gesproken moet worden, daar het zijn schuld is dat er geen verandering komt".

De voorzitter gaat onder vier ogen met de Overste praten, maar het mag niet meer baten. De heer Baddoux neemt per 1 september 1921 ontslag. Als er dan eindelijk bericht komt van de Broeders der Christelijke Scholen, dan is dit een brief waarin gevraagd wordt de broeders en de Broeder-Overste meer salaris te geven.

Het bestuur is verbijsterd en besluit dezelfde aanpak te hanteren als de afzender; zij doet niets en laat het op zijn beloop. Nadat de Algemeene Broeder-Overste blijft aandringen, stemt het bestuur met de loonsverhoging in om vervolgens direct weer een brief te schrijven met het verzoek om 'een andere Eerwaarde Overste en vervanging van de Eerwaarde broeders Cornelis en Christian'.

Revolutie teweeg brengen

Binnen Groenestein poogt het bestuur vrijwel voortdurend een revolutie teweeg te brengen door het personeel te laten vervangen. Helaas voor hen ontstaat er een revolutie, maar dan onder George en de andere werkende jongens. Net als de Nederlandse arbeider, pikt ook de arbeidende Groenesteiner het niet meer. Hun salaris gaat bijna volledig naar het gesticht. Ook een van de regenten vindt dit niet eerlijk.

De jongens verdienen ongeveer 80 á 100 gulden per week en krijgen daar 0,75 cent van. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de jongens ontevreden zijn. De regent meent dat een deel van het door de jongens verdiende geld op hun spaarbankboekje gezet moet worden. Niet iedereen is het daarmee eens; de jongens kosten zoveel!

Er wordt besloten een open rekening voor de werkende knapen te maken, zodat zij zelf kunnen zien wat ze kosten. Vanaf 1 januari 1919 krijgt elke werkjongen een aparte rekening 'met aan de eene zijde hun verdienste en de andere zijde de uitgaven. Voor kostgeld 3,50 gulden per week, plus onkosten voor gereedschappen de schade die zij het gesticht aandoen. De jongens zien echter op dagelijkse basis nog altijd weinig van het salaris waarvoor ze zo hard moeten werken. De onvrede blijft.

De regenten beleggen een speciale vergadering over de werkjongens, de jongens van de 5e afdeling. Het doel van de vergadering is het idee bespreken om 'hun meer loon en meer vrijheid te geven, om zoodoende een andere geest in hun te brengen'. Tijdens de vergadering wordt besloten dat de werkjongens lid mogen worden van de Rooms Katholieke Volksbond en een voetbalclub en dat ze 'zoo nu en dan vergaderingen van hun vak mee mochten maken'.

Gedrag en godsdienst

De jongens zijn tevreden, al vragen enkelen van hen: "Hoe krijgen wij meer vrijen dagen en meer vrijheid?" Het antwoord van regent aan de jongens luidt: "Door jullie gedrag en godsdienst". Twee jongens laten dit zich geen twee keer vertellen. De volgende zaterdag gaan ze direct te biecht en de dag erna te communie. Een jongen besluit de benen te nemen.

Niet veel later klaagt de voorzitter erover dat de jongens die buiten de stad werken, teveel vrij krijgen 'om van hun plaats te gaan'. Het bestuur komt dan ook tot het volgende besluit: "Voortaan zal in de contracten bijgevoegd worden dat de jongens alleen uit mogen gaan met toestemming van den President".

Een commissie van regenten heeft de tarieven voor de jongens vastgesteld. De jongens die buiten het gesticht werken betalen van het verdiende loon 50 cent per dag voor Gestichtsvergoeding en blijven 0,75 cent zakgeld per week houden. Wat overblijft van hun salaris wordt op hun spaarbankboekje bijgeschreven. "De jongens blijven persoonlijk aansprakelijk voor hun eigen kleeding en gereedschappen, wat van hun loon op het spaarboekje moet worden terugbetaald", wordt in het nieuwe reglement opgenomen.

De jongens die net als George bij een baas wonen en werken moeten in overleg met hun baas het loon regelen. Dat wil zeggen: de baas mag bepalen of de jongen 25 of 50 cent zakgeld krijgt. Het is George best, hij is weg uit Groenestein.

Half september 1921 - na bijna drie jaar gesteggel - vertrekt de Overste dan eindelijk, hij wordt overgeplaatst naar Baarle Nassau. De nieuwe overste spreekt uitstekend Nederlands, al is het met een sterk Vlaams accent. Rector Möller vertrekt uiteindelijk pas in 1925.

* * *

Voor deze feiten en die hierboven heb ik mij voor een groot deel gebaseerd op de notulen van de vergaderingen van het Fonds van Liefdadigheid. Dez notulen uit de periode dat George in Groenstein zat heb ik door het Haagse Gemeentearchief laten digitaliseren en ze zijn via deze link te vinden: 

0785-01 – Fonds van Liefdadigheid voor Rooms-Katholieken, inventarisnummers 2.1.6 tot en met 2.1.10.

Nieuwsgierig geworden naar het boek? U kunt 'Op zoek naar George' hier bestellen.