KIM
HEIJDENRIJK

Blog


Groenestein, de geschrapte woorden, deel 3

De doofpot

Vanaf eind jaren twintig publiceert de Haagse leraar aan het openbaar lager onderwijs, Derk Johannes Broekhuizen, vier boekjes waarin hij de misstanden in de instellingen van de RK-kerk in Den Haag aan de kaak stelt. Vanaf het eerste boekje over de Reinaldahuizen lijdt dit tot heftige polemieken in en met de Residentiebode en in Het Vaderland.

In lange ingezonden stukken gaat de 50-jarige leraar in verweer tegen een ieder die hem niet gelooft, of terechtstelt. Als de ene krant een discussie sluit, dan stuurt Broekhuizen zijn brieven naar een andere krant. Broekhuizen laat zich de mond niet snoeren.

In het tweede boekje moet vooral Huize Groenestein, op steenworp afstand van de woning van Broekhuizen aan de Steynlaan 84, het ontgelden. De publicatie draagt de omvangrijke titel 'Van 't Roomse front geen nieuws, of Vijftig jaar rooms "verplegen, opvoeden en onderwijzen", "met en door de Christus Eucharisticus" in Groenestein ("Broeinest van ongerechtigheden") en de houding der Nederlandse justitie tegenover die der justitie in roomse landen'.

Broekhuizen beschrijft in 75 pagina's 'de zonderlinge verhalen die de laatste jaren weer telkens komen opduiken, betreffende de enigszins eigenaardige pedagogiek die de geestelijke broeders bij de huiselijke opvoeding schijnen toe te passen'. Het derde boekje van Broekhuizen komt uit in 1930 en draagt de titel 'Misdadig Rooms Nederland in woord en beeld en sijfer' en hierin gaat de auteur gedetailleerder in op de misstanden in Groenestein. Misbruik op grote schaal; geestelijk, lichamelijk en ook seksueel.

Wraakmaatregelen van Roomse kant

Broekhuizen tekent uit de monden van verschillende bewoners ervaringen op. "Om de materiaal-verstrekkers en de andere betrokkenen zoveel mogelijk te vrijwaren tegen wraakmaatregelen van Roomse kant, zoals het plegen van broodroof, zullen we hun namen niet altijd voluit vermelden. Maar de justitie kan er te allen tijde over beschikken. Gebrek aan vertrouwen in de justitie en vrees voor wraak heeft tot nu toe velen in en buiten de gestichten weerhouden hun klachten bij de politie de justitie, of in het publiek te brengen. Zo kon het kwaad ongestoord voortwoekeren", schrijft Broekhuizen.

De paters worden met naam en toenaam in het 164-pagina's tellende boekje vermeldt. Een opsomming van de volgens de oud-bewoners gebruikelijke straffen wordt door hen van tekst en uitleg voorzien. Zo vertelt één van hen dat een jongetje tijdens het uitdelen van eten kapucijners had gemorst. Het kwam het hem op een bloedneus te staan, door een slag van broeder Albertus. De auteur vermeldt dat de broeder geboren is met de naam Piet van Laren.

De geestelijke zou de jongens zelfs tot in de kerk uitschelden. Hij verweet ze te 'vreten van de liefdadigheid', om eraan toe te voegen: "Je bent hier niet thuis bij dat hoerenzooitje, waar de jeneverfles op tafel staat". Over broeder Maternes en broeder Minedores worden ook uiterst gewelddadige, zo niet sadistische, verhalen opgetekend in het boekje dat bij de auteur te koop is voor dertig cent.

Broekhuizen meent ondertussen genoeg bewijs te hebben verzameld tegen Groenestein en de andere RK Opvoedingsgestichten dat hij de zaak aanhangig maakt. Op 12 november 1929 en 23 april 1930 stuurt hij daartoe brieven naar de Minister van Justitie. Bij monde van Secretaris Generaal van Blom ontvangt Broekhuizen op 9 juli 1930 een brief van de minister. "Ik heb de eer U mede te delen dat in verband met het door U medegedeelde een onderzoek aanhangig is en dat te zijner tijd ter zake zal worden gedaan wat verder nodig mocht zijn." De kerk besluit ook met een publicatie komen, als weerwoord tegen 'den laster, de verguizing en de verdachtmaking'.

Lasterlijke strijdmethoden

De Rooms Katholieke Propagandaclub publiceert in 1933 het 148 pagina's tellende boekje 'Stille Werkers' geschreven door Jan Bakker. In het boekje verhaalt de club over het onderzoek dat zij verrichte in verschillende gestichten. "Welsprekender weerlegging van de kleinerende en lasterlijke strijdmethoden onzer tegenstanders ten opzichte van 't werk der priesters en religieuzen, is moeilijk denkbaar", staat als aanprijzing in de Jaarlijkse Boekenschouw voor 1933.

Het hoofdstuk over Groenestein staat in schril contrast tot de pagina's die Broekhuizen in zijn 'vieze brochuurtjes' beschrijft. "Toen we ervoor stonden, vergaten we aan te bellen, zo greep deze geweldig-grootsche bouw ons aan. We hadden nu toch al iets gelezen, gehoord en zelf gezien, maar zoo'n gesticht...overtrof al onze verwachtingen", jubelen de onderzoekers in het boekje over Groenestein, dat zij volgens eigen zeggen 'onverwacht' bezochten. "...de vriendelijkheid van buiten, verraadt veel intens geluk en jonge blijheid daarbinnen".

De mannen spreken met de broeder overste, wat door de auteur als een poëet aan het papier wordt toevertrouwd: "We ondergingen de eenvoud en goedheid die te tintelen stonden in z'n oogen". De overste vertelt zijn broeders hoe het gesticht reilt en zeilt, dat oud-leerlingen een toneelavond hebben gegeven, wat volgens hem het bewijs is dat de band goed is".

Een rondgang door het pand doet de bezoekers van de ene verbazing in de andere vallen. "En 't trof ons bijzonder bij de Broeders.... Is 't niet waar, gezelligheid in 'n huis moet de vrouw er aan brengen dat gaat mannen doorgaans niet goed af. Onze Zusters zijn er eenig voor. Met 'n bloemetje en 'n kleedje doen ze wonderen.... Des te meer viel 't ons op dat ook de Broeders hier hebben begrepen dat 'n mensch gezelligheid behoeft en dat die gezelligheid spreken moet uit 'n warme aankleeding hunner zalen. En dan moet ik weer denken aan die heerlijke plantenweelde en aquaria..."

Lokkend en smerig genot

De auteur van het boekje raakt niet uitgesproken over de gezelligheid in het gesticht en neemt ook foto's in 'Stille Werkers' op ter illustratie. De onderzoekers van de Propagandaclub menen ook 'zeker tevreden' te mogen zijn over de opvoeding van de aan hun zorg toevertrouwde kinderen. "U moet niet vergeten dat sommigen hier komen reeds totaal bedorven. Er zijn er die op jeugdigen leeftijd totaal rijp zijn en op de hoogte van wat de wereld aan lokkend en smerig genot biedt; die in hun kinderlijke jeugd reeds verpest zijn doordat ze een moeder moesten bijstaan bij 't uitoefenen van 'n een of andere satanische broodwinning...", legt auteur Bakker bij monde van de Propagandaclub uit. "Zoo komen er hier..... die dan na jaren nog als degelijke en nette jongens onze inrichting verlaten. Natuurlijk zijn er bij , die hervallen in 't oude kwaad, hun opvoeders vergeten, ja als ondankbaren de Broeders belasteren", vervolgt hij.

De belastering van de Rooms Katholieke Kerk en haar instellingen is een eenzaam gevecht van Broekhuizen. Ondanks de verklaringen van slachtoffers, met naam en toenaam, leidt het niet tot maatregelen. Bericht van de Minister van Justitie komt er nooit, ook niet bij monde van de Secretaris Generaal. Er gebeurt helemaal niets met de feiten en bewijzen die Broekhuizen heeft verzameld over de misstanden in de instellingen kerk.

De obsessieve Broekhuizen vermoedt een doofpot. Het is er de man niet naar het erbij te laten zitten, zijn boekjes vinden gretig aftrek, maar dan gebeurt er iets dat de onverwoestbare en strijdvaardige man op zijn knieën brengt. Iets ondenkbaars dat zijn geloofwaardigheid voor een ieder, voor altijd ernstig zal aantasten. Na net overgeplaatst te zijn naar de Openbare Lagere school aan de Haagse Capadosestraat 11 (School A) wordt de Gemeenteraad gevraagd Broekhuizen eervol ontslag te verlenen. Op maandag 15 mei 1933 bespreekt de raad het voorstel. Het blijkt dat Broekhuizen niet zelf om zijn ontslag heeft gevraagd.

Nadat Broekhuizen de school had gevraagd of hij de pauzes buiten de school mocht doorbrengen, is om onduidelijke redenen door een onbekende gezagsfiguur in het Haagse onderwijs een geneeskundig onderzoek aangevraagd. De uitkomst van het onderzoek is niet best; er moet tot ontslag worden overgegaan. De gemeenteraad wordt dan ook verzocht de schoolmeester van zijn taak te ontdoen, door de Pensioenraad.

Tijdens de vergadering willen verschillende raadsleden weten waarom Broekhuizen moet worden ontslagen, al is het met eer. De artsen die de leraar onderzoeken menen dat Broekhuizen 'ongeschikt is voor zijn betrekking'. Over de kwaliteit van zijn onderwijs is echter niets negatiefs op te merken, al ruim dertig jaar lang niet. De raadsleden willen dan ook graag weten wat er dan met de man aan de hand is, dat zo ernstig en kennelijk ongeneeslijk is.

34 tegen 2

"De geneesheren hebben de heer Broekhuizen tot psychopaat verklaard", is de verklaring. Aangezien Broekhuizen hiertoe in beroep had kunnen gaan bij de Centrale Raad en dit niet heeft gedaan gaat de Raad tot stemming over. Met 34 tegen 2 stemmen de leden in met het verlenen van het ontslag van de onderwijzer.

Anderhalf jaar later, op 15 oktober 1934, gaat na de dood van zijn mond ook de rest van de 55-jarige werkloze meester Broekhuizen ter ziele. En daarmee ook de vreselijke verhalen over Groenestein. Alleen de mensen die er gezeten hebben weten of de geobsedeerde schoolmeester de waarheid verkondigde.

Het duurt bijna vijftig jaar voordat iemand het weer aandurft de misstanden in het gesticht aan de Loosduinseweg aan de kaak te stellen. De Haagse filmmaker Hans Koekoek maakt de documentaire 'Een lege plek in Den Haag'. De film wordt op de koude en grijze maandag 14 juni 1982 om 19.00 uur uitgezonden door de NOS.

Na de uitzending staan de telefoons bij de omroep roodgloeiend, tot diep in de nacht. Velen herkennen zich in de gruwelijke verhalen die voor Koekoeks camera werden verteld, de mensen die zich de boekjes van de 'psychopaat' Broekhuizen nog herinneren horen wat zij een halve eeuw eerder al lazen. Getraumatiseerde mensen vertellen de telefonisten het verhaal van hun jeugd, niet zelden voor de eerste keer.

Nachtelijke telefoontjes

In het boekje dat Koekoek na de documentaire uitbrengt, dat eveneens 'Het Groenestein Syndroom' heet, verhaalt de filmmaker over de totstandkoming van de film. Hij beschrijft de vele gesprekken die hij voerde met voormalig bewoners van het gesticht. De brieven. De nachtelijke telefoontjes. Het ene nog tragischer dan het andere.

Er zijn echter ook mensen die wel een goede jeugd hebben gehad in Groenestein, zij laten vol vuur weten zich totaal niet te herkennen in de film. Hans Koekoek wordt na zijn documentaire dan ook verweten een te eenzijdig beeld te hebben weergegeven, dat hij geen hoor en wederhoor gepleegd zou hebben. Net als bij de boekjes van Broekhuizen is ook de RK-kerk na de documentaire van Koekoek wederom zeer verbolgen en gaat hard in het verweer.

Een van de belangrijkste argumenten van de kerk is de tijdsgeest. In vroeger jaren ging met anders, harder, met kinderen om. Er was geen inspraak. Kinderen moesten doen wat hen gevraagd werd. Een pak slaag was niet ongewoon. Thuis niet, op school niet en dus ook in weeshuizen en andere vormen van opvang niet. Dat er in Groenestein geslagen werd moest men dan ook in het grotere geheel zien; het was normaal in die tijd. Sommige kinderen hadden het thuis dermate slecht dat Groenestein een zegen was, meent de Kerk.

Weer leidt de openbaarmaking van de feiten niet tot gevolgen voor de Kerk. Het leed in Groenestein raakt weer in de vergetelheid. Tot 2010. In dat jaar wordt een commissie opgericht die onderzoek moet doen naar het misbruik in de Rooms Katholieke Kerk. Het eindrapport van het onderzoek van de Comissie Deetman haalt ter illustratie de boekjes van Broekhuizen aan, al onderzoekt de commissie geen aanklachten uit die periode.

In het lijvige rapport worden tal van Rooms-Katholieke instellingen genoemd die zich tussen 1945 en 2010 schuldig maakten aan seksueel misbruik. Verschillende slachtoffers krijgen een schadevergoeding, al dan niet achter gesloten deuren. Groenestein wordt verder in het rapport niet genoemd, aangezien geen van de laatste bewoners zich heeft gemeld.

Hartverscheurende ervaringen

Vele slachtoffers van Groenestein, en dat zijn niet alleen de kinderen, leven nog dagelijks met hun Groenestein Syndroom. Niet zelden in eenzaamheid. Naar aanleiding van de verschijning van 'Op zoek naar George' hebben verschillende oud-bewoners hun hartverscheurende ervaringen geschreven. Niet zelden schreven zij dat ik de eerste was aan wie zij hun verhaal deden.

Vele duizenden anderen, die in het huis hebben gezeten in de honderd jaar dat Huize Groenestein bestond, hebben hun ervaringen inmiddels meegenomen naar hun graf. Net als George. Dit is dan ook de reden voor dit drieluik met passages die het boek niet haalden. De verschrikkingen van Groenestein hebben onvoorstelbaar veel mensen getekend en vaak hun kinderen ook. En er wordt nooit meer over gesproken Groenestein, wat ook begrijpelijk is.

Moge de stille woorden in 'Op zoek naar George' en dit drieluik zeggen wat alle Groenesteiners niet konden.


* * *

Nieuwsgierig geworden naar het boek? U kunt 'Op zoek naar George' hier bestellen.